Blog

Inleiding

In oktober 2025 ben ik benoemd tot bijzonder hoogleraar Erkenning, Dialoog en Herstel na Interlandelijke Adoptie – de eerste leerstoel in Nederland die zich richt specifiek richt op de langetermijngevolgen van interlandelijke adoptie voor volwassen geadopteerden. Wat doet deze leerstoel, en waarom is zij relevant? In deze blogpost leg ik de context uit waarin zij is ontstaan, hoe zij is gepositioneerd, en schets ik de belangrijkste onderzoeksthema’s die mijn werk in de komende vijf jaar zullen sturen.

Context van de leerstoel

In 2021 publiceerde de Nederlandse Commissie ‘Onderzoek Interlandelijke Adopties in het Verleden’, onder voorzitterschap van Tjibbe Joustra, een baanbrekend rapport over interlandelijke adopties uit Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka tussen 1967 en 1998. De Commissie stelde vast dat er op structurele schaal ernstige misstanden hadden plaatsgevonden, waaronder kinderontvoering, de koop en verkoop van kinderen, omkoping en vervalsing van documenten. Ook concludeerde zij dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van deze praktijken, maar desondanks niet hebben ingegrepen.

Hoewel het onderzoek zich richtte op deze vijf landen en deze specifieke periode, benadrukte de Commissie dat onregelmatigheden waarschijnlijk ook voorkwamen bij adopties uit andere landen en na 1998, toen het Haags Adoptieverdrag door Nederland werd geratificeerd. Dit hangt samen met structurele zwakheden in het systeem – zoals machtsasymmetrieën en financiële prikkels – die moeilijk, zo niet onmogelijk, volledig uit te bannen zijn. Als gevolg daarvan kunnen alle 40.000 interlandelijke adopties naar Nederland door misstanden zijn beïnvloed.

Als reactie hierop bood de Nederlandse Minister voor Rechtsbescherming formeel excuses aan, werden interlandelijke adopties opgeschort en werd een reeks maatregelen aangekondigd om de erfenis en de voortdurende impact van deze praktijken aan te pakken. Eén van deze maatregelen was de oprichting van INEA, het Expertisecentrum Interlandelijke Adoptie. De minister opperde daarnaast de mogelijkheid om een bijzondere leerstoel in te stellen. Dit heeft inmiddels vorm gekregen in de bijzondere leerstoel Erkenning, Dialoog en Herstel na Interlandelijke Adoptie, ondergebracht bij de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Wat is een bijzondere leerstoel en waarom is die nodig voor interlandelijke adoptie?

Een bijzondere leerstoel is een leerstoel dat extern wordt gefinancierd, bijvoorbeeld door een stichting of organisatie. Het betreft meestal een deeltijdfunctie (vaak 0,2 fte) en heeft doorgaans een looptijd van vijf jaar. Deze constructie stelt universiteiten in staat om expertise te ontwikkelen op terreinen die tot nu toe weinig academische aandacht hebben gekregen, maar wel van duidelijk maatschappelijk belang zijn.

Deze leerstoel wordt gefinancierd door Fiom/INEA. Tegelijkertijd berust de benoeming en de volledige academische verantwoordelijkheid bij de Universiteit voor Humanistiek. Dit betekent dat de leerstoel opereert volgens dezelfde normen van academische vrijheid en integriteit als iedere andere leerstoel. De financierende organisatie heeft geen invloed op de onderzoeksagenda of publicaties; haar rol is beperkt tot het financieel mogelijk maken van de leerstoel.

Waarom hebben we een leerstoel nodig die zich specifiek richt op de nasleep van interlandelijke adoptie? Geadopteerden laten immers al jaren van zich horen. Waarom investeren in meer onderzoek in plaats van directe actie? Inderdaad, geadopteerden zijn zeer succesvol geweest in het onder de aandacht brengen van interlandelijke adoptie en in het opeisen van rechtvaardigheid. Zonder hun aanhoudende inzet zouden veel van de kwesties die nu besproken worden waarschijnlijk onzichtbaar zijn gebleven. Toch ontbreekt het nog steeds aan volledige erkenning, blijft dialoog moeilijk en komt betekenisvol herstel moeizaam van de grond. Juist hier ligt de meerwaarde van een bijzondere leerstoel: zij brengt ervaringskennis, academisch inzicht en beleidspraktijk samen en helpt terugkerende patronen, blinde vlekken en institutionele barrières te identificeren die betekenisvol herstel blijven belemmeren.

Positionering en inbedding van de leerstoel

Interlandelijke adoptie is een complex fenomeen dat wordt gevormd door verschillende rechtsstelsels, institutionele praktijken en sociale en culturele normen in nationale contexten, en dat tegelijkertijd diep persoonlijke ervaringen oproept rond identiteit, verbondenheid en verlies. Om die reden kan dit fenomeen niet vanuit één enkele discipline worden begrepen; een interdisciplinaire benadering is noodzakelijk om de onderliggende voorwaarden, langetermijngevolgen en vragen rond erkenning en herstel te analyseren.

In de afgelopen tien jaar heb ik in mijn onderzoek naar interlandelijke adoptie consequent zo’n interdisciplinaire benadering gehanteerd. Aanvankelijk bestudeerde ik het fenomeen vanuit een sociaal-juridisch en criminologisch perspectief, met een focus op misstanden binnen het systeem. In mijn proefschrift The Transnational Illegal Adoption Market analyseerde ik de structurele factoren die illegale interlandelijke adopties bevorderen en mogelijk maken, met bijzondere aandacht voor de Duitse en Nederlandse systemen. Met inzichten uit het mensenrechtenrecht, familierecht, strafrecht, criminologie en antropologie onderzocht ik hoe instellingen, actoren en culturele overtuigingen op elkaar inwerken op manieren die misbruik kunnen faciliteren en in stand houden.

Recent is mijn onderzoek verschoven naar de nasleep van interlandelijke adoptie en de vragen van verantwoordelijkheid en herstel die daaruit voortvloeien. In 2024 redigeerde ik samen met Prof. David Smolin de bundel Facing the Past, die zich specifiek op deze thema’s richt. In mijn eigen werk heb ik mij met name beziggehouden met de juridische verplichtingen van ontvangende landen ten opzichte van geadopteerden. Met de leerstoel Erkenning, dialoog en herstel wil ik deze onderzoekslijn verder verdiepen en verbreden. Tegelijkertijd wil ik verder gaan dan een overwegend juridische benadering door ook inzichten uit de politieke filosofie, sociologie en epistemologie te integreren. Vragen rond erkenning en herstel kunnen immers niet uitsluitend juridisch worden benaderd; zij omvatten ook morele, relationele en maatschappelijke dimensies.

De leerstoel is ondergebracht bij de Universiteit voor Humanistiek, waar de focus op menselijke waardigheid en de relatie tussen burgers en instituties een sterke basis vormt voor dit werk. Binnen de universiteit zal mijn leerstoel nauw samenwerken met de leerstoel Historical Memory and Transformative Justice, die onderzoekt hoe samenlevingen omgaan met en reageren op gevallen van historisch onrecht. De dynamieken die worden geïdentificeerd in casussen zoals geweld in de jeugdzorg, misbruik in de katholieke kerk en de toeslagenaffaire vertonen sterke overeenkomsten met de nasleep van interlandelijke adoptie en maken deze inzichten bijzonder relevant voor mijn werk. Tegelijkertijd draagt mijn leerstoel bij met een onderscheidende en nog onderbelichte casus van historisch onrecht, waarmee bredere vragen rond erkenning en herstel verder kunnen worden ontwikkeld in dialoog tussen theorie en praktijk.

Het centraal stellen van geadopteerden

Voor deze leerstoel is het essentieel dat de stemmen van degenen voor wie zij bestaat – interlandelijk geadopteerden in Nederland – centraal staan. De leerstoel streeft ernaar dit te realiseren door hun ervaringen zichtbaar te maken, hun perspectieven te versterken en ervoor te zorgen dat hun behoeften richting geven aan discussies over erkenning en herstel. Geadopteerden geven vaak aan dat zij onvoldoende worden betrokken bij besluitvormingsprocessen rond interlandelijke adoptie en de nasleep daarvan, wat bijdraagt aan gevoelens van machteloosheid en marginalisatie. Deze leerstoel neemt deze zorgen serieus en betrekt geadopteerden daarom actief bij haar werk – niet alleen als onderzoeksdeelnemers, maar als kennisdragers wier ervaringen en perspectieven richting geven aan de leerstoel.

Om dit vanaf het begin te verankeren, zijn op 16 en 17 januari 2026 twee rondetafelgesprekken georganiseerd met Nederlandse interlandelijk geadopteerden. Daarnaast zijn individuele gesprekken gevoerd met geadopteerden die niet konden of wilden deelnemen aan de rondetafelgesprekken. Het doel van deze gesprekken was om een open ruimte te bieden waarin geadopteerden hun zorgen en verwachtingen ten aanzien van de leerstoel konden delen, en om ideeën uit te wisselen over de waarden en onderzoeksprioriteiten ervan. Samen hebben de rondetafelgesprekken en individuele gesprekken waardevolle input opgeleverd die essentieel was voor het bepalen van de richting en missie van de leerstoel, zoals hieronder uiteengezet.

Dit participatieve vertrekpunt weerspiegelt de bredere benadering van de leerstoel: nauw verbonden blijven met geleefde ervaringen, ruimte creëren voor verschillende stemmen en onderzoek ontwikkelen in voortdurende dialoog met degenen die het meest direct worden geraakt. Betrokkenheid van geadopteerden wordt daarom niet enkel gezien als dataverzameling, maar als een manier om gezamenlijk kennis te ontwikkelen. Door middel van voortdurende dialoog en participatieve activiteiten creëert de leerstoel mogelijkheden voor diverse perspectieven van geadopteerden om haar werk te informeren en bij te dragen aan beleidsrelevante inzichten. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan het bereiken van geadopteerden die minder zichtbaar zijn in het publieke debat, waaronder degenen die de stille meerderheid vormen.

De missie en onderzoeksthema’s van de leerstoel

Interlandelijke adoptie betreft en raakt een breed scala aan betrokkenen: naast de leden van de klassieke adoptiedriehoek (geadopteerden, ouders en adoptieouders) gaat het ook om adoptiebureaus, andere tussenpersonen en overheidsinstanties in zowel landen van herkomst als ontvangende landen. Het beantwoorden van vragen rond erkenning en herstel vereist daarom dat deze bredere constellatie van actoren wordt meegenomen, evenals de rollen die zij hebben gespeeld en de manieren waarop zij hebben bijgedragen aan, of geraakt zijn door, de schade die uit interlandelijke adoptie is voortgekomen.

Tegelijkertijd vraagt het tijdelijke karakter van deze leerstoel om het maken van keuzes en laat het geen ruimte om alle betrokkenen in gelijke mate te behandelen. Hoewel alle actoren relevant blijven en waar passend worden meegenomen, richt de leerstoel zich in de eerste plaats op de ervaringen van volwassen geadopteerden in Nederland en op de rol en verantwoordelijkheden van de Nederlandse staat en haar instituties, zowel historisch als in het heden. Deze focus betekent niet dat de ervaringen van afstandsouders minder belangrijk zijn, noch dat de rol van adoptieouders, adoptiebureaus of actoren in landen van herkomst wordt geminimaliseerd. Het is een bewuste keuze om te komen tot concrete antwoorden binnen de Nederlandse context.

Op basis van mijn gesprekken met geadopteerden, evenals observaties van parlementaire debatten na de excuses in 2021, richt de leerstoel zich op vijf hoofdthema’s: de geleefde ervaringen en rechtvaardigheidsbehoeften van geadopteerden; de dialoog tussen geadopteerden en instituties; de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat; het recht op identiteit en toegang tot informatie; en betekenisvolle erkenning en herstel. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat deze onderzoeksagenda geen vaststaand eindpunt vormt, maar een zich ontwikkelend programma. Wanneer aanvullende financiering beschikbaar komt, kunnen nieuwe onderzoeksthema’s worden opgepakt en kunnen benaderingen worden aangepast op basis van empirische bevindingen en voortdurende betrokkenheid van geadopteerden.

1. Geleefde ervaringen en rechtvaardigheidsbehoeften van geadopteerden

Interlandelijk geadopteerden vormen een zeer diverse groep, met uiteenlopende adoptiegeschiedenissen, geleefde ervaringen en rechtvaardigheidsbehoeften. Deze diversiteit kwam ook naar voren in mijn gesprekken met geadopteerden. Individuen zijn geadopteerd uit een breed scala aan landen, onder verschillende omstandigheden en in verschillende historische perioden. Sommigen hebben contact met hun familieleden hersteld, terwijl anderen jarenlang zonder succes hebben gezocht naar informatie over hun afkomst. Weer anderen hebben pas recent interesse ontwikkeld in hun verleden en zijn (nog) niet met dit proces begonnen. Sommige geadopteerden nemen actief deel aan publieke debatten – vaak via belangenorganisaties – om beleid rond interlandelijke adoptie en de nasleep daarvan te beïnvloeden.

Tegelijkertijd is er een grote groep geadopteerden die grotendeels stil blijft en niet deelneemt aan publieke debatten. Deze groep vormt waarschijnlijk de meerderheid van de circa 40.000 Nederlandse interlandelijk geadopteerden. Over hoe deze personen zich verhouden tot hun adoptiegeschiedenis, en wat hun behoeften en verwachtingen zijn, is weinig bekend. Hun afwezigheid roept belangrijke vragen op over representativiteit, aangezien beleidsdebatten vooral worden gevormd door de meest zichtbare, georganiseerde of uitgesproken geadopteerden. Stilte betekent echter niet noodzakelijk onverschilligheid of welzijn; zij kan ook duiden op terugtrekking, vermoeidheid, gevoelens van uitsluiting of een gebrek aan toegankelijke platforms voor participatie.

Deze combinatie van heterogeniteit en stilte vormt een centrale uitdaging voor erkenning, dialoog en herstel na interlandelijke adoptie. Beleidsprocessen zijn vaak gericht op samenhangende narratieven en duidelijk afgebakende standpunten, terwijl de geleefde realiteit van geadopteerden vaak complex, veranderlijk en ambivalent is. Dit vertaalt zich in uiteenlopende rechtvaardigheidsbehoeften en verwachtingen. Zonder een systematisch begrip van deze diversiteit bestaat het risico dat erkenning en herstel worden vormgegeven door een beperkte groep stemmen en versimpelde categorieën, waardoor veel ervaringen en behoeften onvoldoende worden erkend.

In het eerste jaar van de leerstoel zal ik mij daarom richten op het opbouwen van een empirische basis door het systematisch verkennen van de diversiteit aan ervaringen, behoeften en rechtvaardigheidsverwachtingen van geadopteerden. Het doel is beter te begrijpen hoe geadopteerden hun adoptie en de nasleep daarvan hebben ervaren, en wat zij zoeken op het gebied van erkenning en herstel. Daarbij is er bijzondere aandacht voor ambivalentie, veranderingen in de tijd en patronen van terugtrekking of stilte. Het doel is niet om perspectieven te beoordelen of te rangschikken, maar om ze zichtbaar te maken in hun veelvormigheid en complexiteit. Door geadopteerden uit het volledige spectrum van ervaringen te betrekken, legt deze fase de basis voor vervolgonderzoek naar erkenningspraktijken, dialoogvormen en herstelmechanismen.

2. Dialoog tussen geadopteerden en instituties

De excuses die in 2021 aan interlandelijk geadopteerden zijn aangeboden, vormden een historisch moment, waarmee Nederland het eerste ontvangende land werd dat formeel schade en misstanden erkende. Toch hebben deze excuses voor veel geadopteerden nog niet geleid tot betekenisvol herstel. Ondanks jarenlange articulatie van concrete behoeften ervaren velen dat hun stemmen onvoldoende worden weerspiegeld in beleid. Er zijn verschillende consultaties georganiseerd door het ministerie en Fiom/INEA, waaronder rondetafelgesprekken en werkgroepen, waarin geadopteerden werden uitgenodigd om hun verwachtingen rond erkenning en herstel te delen. Toch ervaren velen een aanhoudende kloof tussen participatie en impact: hun bijdragen vinden vaak geen weerklank bij beleidsmakers en worden slechts beperkt vertaald in beleidsmaatregelen.

Een centraal doel van deze leerstoel is om deze dialoog kritisch te onderzoeken en te begrijpen waarom deze zo vaak vastloopt. Dit wordt niet alleen benaderd als een communicatieprobleem, maar ook als een relationeel proces dat wordt gevormd door institutionele logica’s, machtsasymmetrieën, normatieve waarden en emotionele dynamieken. De leerstoel onderzoekt hoe ervaringen en behoeften van geadopteerden worden geïnterpreteerd, hervertaald of gefilterd in beleidsprocessen, en hoe emoties zoals woede, verdriet en frustratie worden ontvangen binnen institutionele contexten. Door deze dynamieken zichtbaar te maken, wil de leerstoel verklaren waarom input van geadopteerden zo vaak niet leidt tot betekenisvolle beleidsuitkomsten en bijdragen aan meer responsieve vormen van betrokkenheid.

3. Rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat

De staat heeft via haar excuses morele verantwoordelijkheid erkend, maar probeert tegelijkertijd de omvang van haar aansprakelijkheid voor haar rol in interlandelijke adopties in het verleden te beperken. In 2022 had de overheid circa €600.000 uitgegeven aan juridische kosten in reactie op aansprakelijkheidsclaims van geadopteerden. In politieke en juridische contexten presenteert de staat zich vaak als handelend vanuit goede intenties en in overeenstemming met de toen geldende normen. Daarnaast benadrukt zij dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor alles wat is misgegaan, en wijst zij op de rol van autoriteiten in herkomstlanden, adoptiebureaus en, in sommige gevallen, zelfs adoptieouders bij onregelmatige interlandelijke adopties.

Interlandelijke adopties vonden plaats in uiteenlopende situaties (zowel via bemiddeling als privé), waarbij meerdere actoren betrokken waren in zowel herkomstlanden (overheidsinstanties en particuliere tussenpersonen) als ontvangende landen (adoptieouders, adoptiebureaus en overheidsinstanties). De grootschalige schade die gepaard ging met interlandelijke adoptie is niet het resultaat van het handelen van één enkele dader, maar is voortgekomen uit onderling verweven netwerken van instituties, beleid en praktijken die grensoverschrijdend opereerden. Dit roept een fundamentele vraag op: in hoeverre draagt een ontvangende staat, zoals Nederland, verantwoordelijkheid voor schade die is ontstaan binnen transnationale bestuurssystemen waarin gezag, kennis en controle zijn verspreid over meerdere actoren?

Deze vraag vraagt om verduidelijking, omdat zolang verantwoordelijkheid onduidelijk blijft, erkenning en herstel het risico lopen afhankelijk te worden van politieke keuzes in plaats van verplichtingen die zijn gebaseerd op aansprakelijkheid. In een dergelijke context is herstel afhankelijk van vrijwillige toezeggingen in plaats van moreel gefundeerde plichten.

Om deze vraag te beantwoorden, hanteert de leerstoel een relationeel perspectief op verantwoordelijkheid. In plaats van verantwoordelijkheid uitsluitend te situeren in het handelen van individuele actoren, wordt zij gezien als voortkomend uit de relaties en interacties die actoren met elkaar verbinden binnen een breder transnationaal systeem. Dit omvat ook de juridische kaders, institutionele praktijken en heersende normen die hun handelen hebben gevormd. Een relationeel perspectief maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de manieren waarop de Nederlandse staat bij deze processen betrokken was – via haar rol, facilitering en reacties op bekende risico’s – en tegelijkertijd vormen van gedeelde en verspreide verantwoordelijkheid te erkennen die niet adequaat kunnen worden begrepen vanuit een puur actorgerichte benadering.

4. Recht op identiteit en toegang tot informatie

Geadopteerden beroepen zich vaak op mensenrechten bij het formuleren van hun rechtvaardigheidsclaims, in het bijzonder op het recht op identiteit. Dit recht is verankerd in het internationale mensenrechtenrecht, met name in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Toch is de precieze reikwijdte van dit recht in de context van interlandelijke adoptie nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Met name is onduidelijk onder welke omstandigheden dit recht ten tijde van de adoptie mogelijk is geschonden, en welke verplichtingen daaruit vandaag de dag voor staten voortvloeien.

Er kunnen twee momenten worden onderscheiden waarop het recht op identiteit een rol speelt in relatie tot een ontvangende staat zoals Nederland. Het eerste betreft het adoptieproces zelf. De centrale vraag is hier of ontvangende staten voldoende hebben gedaan om misstanden te voorkomen, met name in situaties waarin risico’s en onregelmatigheden al bekend waren. Aangezien veel van deze misstanden zich in herkomstlanden voordeden, is de toerekening van verantwoordelijkheid aan de Nederlandse staat niet eenduidig. Dit roept complexe vragen op over de reikwijdte van de verplichtingen van de staat destijds, waaronder toezicht, zorgvuldigheid en interventie binnen een transnationaal adoptiesysteem.

Het tweede moment betreft het heden: veel geadopteerden ondervinden nog steeds aanzienlijke obstakels bij het verkrijgen van informatie over hun afkomst of bij het reconstrueren van hun identiteit. Hoewel de oorspronkelijke misstanden vaak decennia geleden plaatsvonden, werken de gevolgen ervan tot op de dag van vandaag door. Hierdoor verschuift de focus van het verleden naar huidige verplichtingen: wat moet de staat vandaag doen om te waarborgen dat geadopteerden daadwerkelijk toegang hebben tot betrouwbare informatie en hun recht op identiteit kunnen uitoefenen? Meer in het algemeen rijst de vraag welke verplichtingen tot herstel, restitutie of andere vormen van genoegdoening voor de staat voortvloeien uit schendingen van dit recht.

Bijzondere aandacht gaat uit naar de organisatie van archieven en de toegang tot adoptie-gerelateerde dossiers in Nederland. Voor veel geadopteerden zijn deze dossiers essentieel om hun persoonlijke geschiedenis en identiteit te reconstrueren, maar de toegang wordt vaak ervaren als gefragmenteerd, onvolledig of onnodig beperkt. Vanuit dit perspectief zijn archieven niet slechts opslagplaatsen van informatie, maar cruciale infrastructuren waardoor het recht op identiteit in de praktijk vorm krijgt. Hoe deze systemen zijn ingericht – wat wordt bewaard, hoe informatie wordt geclassificeerd en onder welke voorwaarden deze toegankelijk is – bepaalt in grote mate in hoeverre geadopteerden hun afkomst kunnen achterhalen. Archieven worden daarmee sleutelplekken waar mensenrechtenverplichtingen concreet worden gerealiseerd, maar ook kunnen worden ondermijnd.

5. Betekenisvolle erkenning en herstel

Wat hebben interlandelijk geadopteerden nodig om zich erkend te voelen en om ervaren schade op een betekenisvolle manier te herstellen? Op basis van wat geadopteerden hebben gedeeld over hun ervaringen, behoeften en verwachtingen, beoogt deze leerstoel deze inzichten te vertalen naar concrete voorstellen voor erkenning en herstel. Tegelijkertijd kijkt zij verder dan individuele maatregelen en stelt zij een bredere vraag: wat in het systeem heeft deze schade mogelijk gemaakt? Het aanpakken van historisch onrecht betekent niet alleen terugkijken, maar ook vooruitkijken: wat moet er vandaag veranderen – in wetgeving, professionele praktijken en institutioneel denken en handelen – om herhaling te voorkomen?

Veel huidige benaderingen van erkenning en herstel schieten tekort omdat zij worden ontworpen en gecontroleerd door instituties, in plaats van mede vormgegeven door degenen die geraakt zijn. Hierdoor kan participatie als symbolisch worden ervaren, terwijl onderliggende machtsongelijkheden blijven bestaan. Deze leerstoel onderzoekt daarom hoe deze structuren kunnen worden veranderd. Het doel is bij te dragen aan benaderingen die niet alleen het verleden erkennen, maar ook verbeteren hoe instituties luisteren, reageren en verantwoordelijkheid nemen. Uiteindelijk is het doel om bij te dragen aan vormen van herstel die geleden schade serieus nemen en helpen voorkomen dat dergelijke schade zich opnieuw voordoet. Dit is des te belangrijker nu nieuwe vormen van grensoverschrijdend ouderschap, zoals internationaal draagmoederschap, vergelijkbare vragen oproepen.

Facing the Past
Privacy informatie

Onze site gebruikt cookies om uw gebruikerservaring zo optimaal mogelijk te maken. Cookie informatie wordt opgeslagen in uw browser en zorgt ervoor dat de website u herkent bij een volgend bezoek en helpt bij het analyseren van welke inhoud voor u het meest van toepassing en/of interessant is.

U kunt uw cookie voorkeuren hier aanpassen.